Schietbereidheid

De schietbereidheid geeft de paraatheid van de individuele militair aan om vuur te kunnen uitbrengen, zichtbaar gemaakt in de draagwijze van zijn persoonlijk wapen. De schietbereidheid van het persoonlijk wapen – laag, middel of hoog – is onder andere afhankelijk van de gevechtsgereedheid en de gekozen verplaatsingstechniek.
In het bevel geeft de commandant aan welke draagwijze bij aanvang van de opdracht van toepassing is. Gedurende de opdracht kan de draagwijze worden aangepast aan de dreiging dan wel situatie.

Schietbereidheid Laag: als de vijandelijke dreiging laag is; vijandcontact wordt niet verwacht.

  • Het wapen wordt aan de tactische draagriem voor de borst gedragen dan wel om de schouder gehangen.
  • Het wapen is geladen en staat op SAFE.

Schietbereidheid Middel: Gewoonlijk bij (tactische) verplaatsingen en patrouilles; vijandcontact is mogelijk.

  • Het wapen is geladen en staat op SAFE, waarbij de wijsvinger gestrekt langs de trekkerbeugel is (niet op de trekker).
  • De wapenriem is zo afgesteld dat alle schiethoudingen kunnen worden aangenomen zonder de riem eerst te moeten losklikken.
  • De loop van het wapen wijst onder een hoek van 45° naar beneden, waarbij het wapen zoveel mogelijk in de sector wijst.

Schietbereidheid Hoog: Wanneer (direct) vijandcontact wordt verwacht dan wel wanneer actief wordt beveiligd, bijvoorbeeld bij het oversteken van een weg.

  • Het wapen is geladen en staat op SAFE, waarbij de wijsvinger aan de trekker zit en de duim op de vuurregelaar.
  • Het wapen wijst continue in de richting waarin de schutter waarneemt.
  • De schutter neemt waar over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.
« Back to Glossary Index