Mobilisatiecomplexen

Een mobilisatiecomplex of MOB-complex is in Nederland de naam voor een complex van militaire gebouwen met bijbehorende infrastructuur dat een rol speelde tijdens de Koude Oorlog. Meestal waren ze van 1956 tot omstreeks 2000 in bedrijf. De meeste gebouwen hadden een magazijnfunctie en/of waren een stalling voor militaire voertuigen die konden worden ingezet bij een op handen zijnde inval van de Sovjet-Unie. Er waren munitiebunkers, brandstof-opslagplaatsen enzovoort. Dit alles moest een snelle mobilisatie mogelijk maken.

Onderwerpen

Op meerdere pagina’s wordt uitleg gegeven over de mobilisatiecomplexen.
Deze pagina vertelt het verhaal in grote lijnen. Wil je meer weten, klik dan op:

Bedankt voor je belangstelling.
De geschiedschrijving van de Koude Oorlog is nog in volle gang. Het totaaloverzicht van de mobilisatiecomplexen is gereed. We zijn gestart met de finetuning volgens het stappenplan.
Heb je zelf informatie en vooral foto’s van vroeger? Neem dan alsjeblieft contact op!

Webpagina’s in ontwikkeling

Van ontwikkeling tot sloop

Met de Nederlandse deelname aan de NAVO veranderden na 1949 ook de rol van de Koninklijke Landmacht (KL). Hiervoor besloot men tot de oprichting van een parate én een aantal mobilisabele infanteriedivisies. Voor een snelle bevoorrading en uitrusting van deze mobilisabele divisies werd besloten om magazijncomplexen op te richten, de zogenaamde mobilisatiecomplexen (MOB-complexen). In deze complexen werden de voorraden op peil gehouden, zodat bij een eventuele oorlog er voldoende munitie, medicijnen en voedsel zou zijn.

Luchtfoto complex Hoogland
MOB-complex Hoogland in 2005, gesloopt in 2006.
Foto: Google

Er werd een commissie ingesteld om zo snel mogelijk met voorstellen te komen voor de benodigde bouwterreinen en van de eisen waaraan een mobilisatiecomplex moesten voldoen. De commissie telde drie leden: een vertegenwoordiger van de Chef van de Generale Staf (CGS), een vertegenwoordiger van de Directeur-Generaal (DG) en een vertegenwoordiger van de Dienst Vastgoed Defensie (DVD) als hoofdaannemer. 

Luchtfoto complex Zwijnsbergen
MOB-complex Zwijnsbergen (Elst), 2018.
Foto: Google

Uiteindelijk werden er naar schatting zo’n 100 tot 150 mobilisatiecomplexen gebouwd. Het precieze aantal is zelfs nu nog niet bekend. 

De meeste MOB-complexen zijn tot ver in de jaren negentig in gebruik geweest. Daarna zijn de meeste complexen door Defensie afgestoten of gesloopt. Het ministerie van LNV (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) heeft 28 MOB-complexen van Defensie overgenomen, die tussen 2005 en 2012 een nieuwe bestemming hebben gekregen. Veel van deze terreinen liggen in de Ecologische hoofdstructuur van Nederland (EHS) en zijn aan de natuur teruggegeven. Sommige gebouwen zijn blijven bestaan vanwege de cultuurhistorische waarde ervan. Een aantal terreinen hebben een bestemming als woongebied of bedrijventerrein gekregen.

Daarnaast werd er gewerkt aan een bestemming voor 53 voormalige militaire terreinen. Dit gebeurde in het project ‘Ontwikkeling Militaire Terreinen’ van de  Dienst Landelijk Gebied (DLG) in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) en in samenwerking met Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB). 

De terreinen

De NAVO hield in de Koude Oorlog rekening met een onverhoedse aanval door de Sovjet-strijdkrachten. Een snelle opmars met tanks naar de Rijn. Deze aanval zou gepaard gaan met luchtaanvallen om de mobilisatie en de concentratie van NAVO-strijdkrachten te verstoren. Spreiding van de opslag zowel van de locaties als over de locaties werd daarom noodzakelijk geacht.
Voor de ligging van de terreinen bracht de Planologische Dienst van Rijk en provincies advies uit aan Defensie. De regio’s waarin de complexen kwamen te liggen werden, evenals het aantal, vastgesteld door de Chef van de Generale Staf. De verwerving van de terreinen verliep over het algemeen vlot. De houding van de bevolking en de lagere overheden tegenover de krijgsmacht was ook toen niet alleen positief. In het uiterste geval kon de regering zich beroepen op de Belemmeringenwet Landsverdediging. Een gemeentebestuur dat weigerde om de nodige vergunningen te verlenen, kon rekenen op een bij Koninklijk Besluit opgelegde gedoogplicht. 

Opzet

Alvorens de terreinen te kunnen verwerven werd eerst de benodigde oppervlakte van een standaardcomplex vastgesteld. Al het materiaal van een mobilisabel onderdeel moest bij elkaar worden ‘opgelegd’, ofwel worden opgeslagen. Hierbij werden uitzonderingen gemaakt als gevolg van wettelijke voorschriften, zoals de Hinderwet (voor explosieven, vloeibare brandstoffen) en de Opiumwet (voor geneesmiddelen), kwetsbaarheid (voor verbindingsmaterieel) of bouwkundige eisen (voor zware rupsvoertuigen).

YPR765 in complex Oudemolen
Opgeslagen YPR-765 pantservoertuigen in MOB-complex Oudemolen, 2014.
Foto NIMH.

Een standaard MOB-complex bestond uit:

  • een wacht- en bureelgebouw voor de bewaking,
  • een eenvoudige werkplaats voor het uitvoeren van inspecties of het doen van kleine reparaties,
  • meerdere loodsen voor voertuigen en materieel waarvoor geen speciale opslag vereist was,
  • een blusvijver (met een eigen blusvoertuig),  
  • en indien nodig twee tankloodsen, twee munitiemagazijnen, twee verbindingsmagazijnen en meerdere BOS-opslagplaatsen (voor benzine, olie en smeermiddelen).

Al deze gebouwen lagen met hun lange zijde aan een of meer (lusvormige) rondwegen, vanwaar men de goederen kon in- en uitladen. In de complexen waar rupsvoertuigen zouden worden opgelegd, moest tevens een gesloten circuit aanwezig zijn om tanks de voorgeschreven periodieke testritten te laten uitvoeren. Voor de tanks werden dan ook vaak aparte keerlussen aangelegd.

Om het gehele terrein liep een afrastering, waarin nog een nooduitgang werd opgenomen. Buiten de afrastering bouwde men een woning voor de beheerder en zijn gezin of voor de bewakers/hondengeleiders.

Opstallen

De globale eisen van de commissie werden uitgewerkt, zodat het Centraal Bouw Bureau (CBB) de ontwerpbestekken kon gaan samenstellen. De algemene opslagloodsen (L-loodsen) en de opslagloodsen voor tanks (T-loodsen) werden voorzien van een deurenwand in de lange zijde. Voor de loods werd over de volle lengte een opstelplaats voor voertuigen aangelegd. Deze was die diep genoeg om het verkeer over het interne wegennet niet te hinderen. Bij de vaststelling van de breedte van de deuropeningen van de tankloodsen werd rekening gehouden met een mogelijke aanschaf van nieuwe, grotere tanks in de toekomst. Desalniettemin werden de T-loodsen ook gebruikt voor de opslag van andere goederen.

Complex Oudemolen, 40L70
Opgeslagen 40L70 luchtafweerkanonnen in MOB-complex Oudemolen, 2014.
Foto: NIMH

De L-loodsen kregen een beperkte algemene verlichting, die werd aangevuld met op ruime schaal aangebrachte wandcontactdozen voor looplampen. Op deze wijze zou het onderhoudspersoneel niet gehinderd worden door de slagschaduwen van de gestapelde goederen. De magazijnen voor verbindingsapparatuur (Gebouw V) werden tegen scherfwerking bestand gemaakt door de buitenwanden van gewapend beton te maken en stalen luiken voor de raamopeningen aan te brengen. De  munitiemagazijnen (M-loodsen) waren vaak omgeven door een greppel en een eigen afrastering. Elk magazijn had zijn eigen onderhoudsruimte, waarvan in de praktijk weinig gebruik werd gemaakt, omdat met name het stofvrij houden van deze ruimte problematisch bleek. Per magazijn werd ook een vensterloze, geventileerde ruimte opgenomen voor de opslag van accu’s.

Onderzoek in 2007

In 2007 is er door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten een uitgebreid onderzoek gedaan naar Mobilisatiecomplexen. In het rapport ‘Militair erfgoed, categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965’ werd de toenmalige status van de verschillende complexen uitgewerkt. Ook bevat het rapport een lijst met de toen bekende MOB-complexen. Van maar 89 complexen was informatie bekend. Van 59 complexen bleken er plattegronden, van 28 complexen waren er foto’s. Aan de hand van deze gegevens kon in het rapport het volgende worden geconcludeerd.

Datering

Van 59 complexen is de datering van de aanwezige objecten vastgesteld. Hieruit blijkt dat nagenoeg alle MOB-complexen, op het complex in Vlissingen na, dateren uit de periode 1951-1961. Op enkele complexen is oudere bebouwing aanwezig, zoals de complexen Hembrug (1914 en 1934-1936), Maaldrift (1940), Soesterberg (1942) en Vught (1942). Klaarblijkelijk is bij de aanleg van deze complexen gebruik gemaakt van reeds aanwezige, voornamelijk door de Duitsers aangelegde opslagterreinen.
De MOB-complexen hebben decennialang nauwelijks veranderingen ondergaan. De meeste objecten die later zijn toegevoegd dateren uit de jaren tachtig en negentig. Blijkbaar is in deze periode de complexen nieuw leven ingeblazen. Voor nagenoeg alle complexen geldt dat het merendeel van de objecten dateert uit de beginperiode.

Omvang

De omvang van een MOB-complex varieerde tussen de 4 en de 262 gebouwen en objecten. Deze variatie is deels te wijten aan sloop, deels aan nieuwbouw. Op enkele grote complexen na, waren de complexen aanvankelijk redelijk kleinschalig en telden ze zo’n 20 à 30 gebouwen, waarvan het merendeel bestond uit loodsen.

Gebruik

Grofweg kan men twee soorten MOB-complexen onderscheiden: het magazijnencomplexen (MC), waar ‘gewone’ goederen werden opgeslagen, en de munitiemagazijnencomplexen (MMC), die uitsluitend gebruikt werden voor de opslag van munitie. Daarnaast zijn er nog enkele afwijkende complexen bekend, die dienden ter ondersteuning van de totale MOB-structuur zoals het Genie Basis Depot in Gilze-Rijen en het werkplaatsencomplex in Dongen.

Objecten

Met uitzondering van de allereerste MOB-complexen, zoals Veldhoven (1951), Soesterberg (1952) en Weert (1952), komen vanaf 1952 overal nagenoeg dezelfde gebouwen voor. Wel is er duidelijk onderscheid in bebouwing tussen de magazijnencomplexen en de munitiemagazijnencomplexen. Ook complexen met een specifiek gebruik, zoals het Genie Basis Depot en het werkplaatsencomplex in Dongen, hebben een afwijkende bebouwing. Wel kan men stellen dat het in alle gevallen gaat om rechthoekige gebouwen van één bouwlaag met doorgaans maar een ruimte. Het werkplaatsencomplex in Dongen is een van de weinige complexen waar bebouwing van twee bouwlagen voorkomt.

Locaties

De complexen lagen door geheel Nederland met het zwaartepunt in de Utrecht en Noord Brabant. Zie het overzicht van de complexen (inclusief kaart).

Functie bij mobilisatie

In Nederland werden regelmatig oefeningen gehouden om de kennis van de reservisten op te frissen of te leren omgaan met nieuw materieel. Het was ook een test of mobilisabele eenheden binnen de gestelde tijd inzetbaar waren. Oefeningen die regelmatig terugkwamen, zijn bekend geworden onder namen als Donderslag en Wintex. Iedere reservist had een lastgeving, waarop stond bij welk onderdeel hij was ingedeeld en bij welk mobilisatiecentrum / opkomstlocatie hij moest opkomen. Na de inschrijving en administratieve controle vertrok men naar het MOB-complex om voertuigen, tanks, pantserwagens, geschut, wapens en munitie op te halen.

Het personeel van het MOB-complex had tot taak het materieel goed te onderhouden en uitgiftegereed/oorlogsgereed te maken. De opslag in het MOB-complex vond overwegend plaats per legereenheid, bijvoorbeeld op compagnie-niveau. Iedere mobilisabele eenheid werd een uniek elementair codenummer (zgn. ELCO nummer) toegekend en was opgebouwd uit zogenaamde bouwstenen (BWST) in de vorm van vastgestelde hoeveelheden wielvoertuigen (WVTGN), rupsvoertuigen (RVTGN), motoren, aggregaten, tenten, camouflagenetten, verbandkisten, brancards, etc. Deze bouwstenen werden afzonderlijk aangeduid met lettercodes AA tot en met ZZ. Elk los artikel dat in het MOB-complex werd opgeslagen werd voorzien van een sticker met daarop het ELCO-nummer en de BWST-lettercode.

In geval van mobilisatie of herhalingsoefening werden de voertuigen bewapend, geladen met bijbehorend materieel zoals zendapparatuur, camouflagenetten en volgetankt. Als laatste werd de munitie opgehaald bij de speciale bunkers. Voor de voertuigen de weg opgingen werd nog gecontroleerd of ze inderdaad inzetbaar waren.

Opleggen

Na de oefeningen, die een paar dagen tot enkele weken duurden, leverden de reservisten het materieel weer in bij de mobilisatiecomplexen. Het personeel (de oplegploeg) was vervolgens weken bezig met het schoonmaken, opruimen, preserveren en opbergen (het zogeheten opleggen) van het materieel. Defect materieel werd afhankelijk van het onderhoudsniveau (echelon) ter reparatie aangeboden bij de al dan niet mobiele herstelploeg of ter reparatie afgeleverd bij de regionale herstelwerkplaatsen van de Technische Dienst.

Sinds de val van de muur wordt het woord mobilisatiecomplex officieel niet langer gehanteerd en spreekt men van magazijncomplexen. Een beperkt aantal van deze magazijncomplexen is nog steeds in gebruik bij de materieellogistieke pelotons van 310 DS/AS, 320 DS/AS en 330 DS/AS Hrstcie. Deze pelotons richten zich op de vier primaire processen: onderhoud, beheer, bevoorrading en opleg.

Organisatie

De complexen zijn van het begin af aan organiek onderverdeeld geweest in drie landelijke rayons. De namen en de interne organisatie veranderde in de loop der jaren. Aanvankelijk vielen ze onder de Territoriale Bevelhebbers Oost, West en Zuid (TBO,TBW en TBZ).

Na een reorganisatie in 1975 werd alles samengevoegd onder verantwoording van het Nationaal Territoriaal Commando (NTC) en kwamen er 3 verzorgingscommando’s. Ook weer onderverdeeld in Oost, West en Zuid (301 vzgco, 302 vzgco en 303 vzgco).

Eind tachtiger jaren ging onder invloed van alle veranderingen (techniek, wereldpolitiek enz.) weer het organisatieplan op de schop. Uiteraard ook weer andere benamingen: het werden nu drie regionale verzorgingsrayons (vzgrayon, verzorgingscommando’s): 770 vzgco, 760 vzgco en 750 vzgco onder het Nationaal Verzorgings Commando (NVC). Deze reorganisatie betekende ook het einde van de oude opzet in het onderhoudssysteem.

De verzorgingsrayons gingen na een reorganisatie over in de regionale verzorgingsdependances (vzdep) met de bijbehorende verzorgingslocaties (vzloc):

  • 910 vzgdep ‘De Amstel’
  • 920 vzgdep ‘De IJssel’
  • 930 vzgdep ‘De Berkel’
  • 940 vzgdep ‘De Maas’
  • 950 vzgdep ‘De Amer’

De materieellogistieke pelotons (matlogpel) van 310 DS/AS, 320 DS/AS en 330 DS/AS herstelcompagnie (Hrstcie) zijn de voormalige verzorgingslocaties van het NVC.

Bronnen

  • Wikipedia
  • Militair erfgoed, categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965; Michiel Kruidenier, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, 2007.
  • Verkocht wegens Vrede, een overzicht van de 53 herontwikkelde militaire terreinen; Dienst Landelijk gebied, Ministerie van Economische zaken, 2011.
  • Archief Harold Bergers

Meer informatie