Holland-klasse

De patrouilleschepen van de Holland-klasse zijn flexibel inzetbare vaartuigen, toegerust op de bewaking van kustwateren. Naast antiterrorisme- en antipiraterijoperaties, worden deze zogenoemde ocean-going patrol vessels (OPV) ook ingezet voor drugsbestrijdingsoperaties.

De patrouilleschepen zijn speciaal ontwikkeld voor missies laag in het geweldsspectrum, zoals rechtshandhaving en humanitaire taken. Denk aan kustwachttaken op de Noordzee en in het Caribisch gebied. Er zijn voorzieningen om in totaal 90 bemanningsleden en opstappers langdurig te laten meevaren. Ook deelname in internationale taakgroepen of optreden tegen piraterij behoren tot de mogelijkheden. Verder kunnen ze hulpgoederen vervoeren en evacués aan boord nemen.

Specificaties

  • lengte: 108 meter
  • breedte: 16 meter
  • diepgang: 4,55 meter
  • waterverplaatsing: circa 3.750 ton
  • maximumsnelheid: circa 20 knopen (37 kilometer per uur)
  • vermogen: 2 x 5.400 kilowatt (14.500 pk)
  • voortstuwing: dieselelektrisch
  • aantal schroeven: 2
  • accommodatie: 50 bemanningsleden + 40 opstappers (bijvoorbeeld een helikopterdetachement of medisch team). Het schip kan daarnaast 100 evacués meenemen.
  • Bewapening:
  • aantal: 4
  • in gebruik bij: Koninklijke Marine
  • bijzonderheden: De patrouilleschepen kunnen 2 snelle FRISC-motorboten meevoeren.

4 schepen

De Holland-klasse telt 4 ocean-going patrol vessels:

Geïntegreerde mastmodule

De geïntegreerde mastmodule (IMM) is gebouwd volgens een vernieuwend concept. De mast herbergt alle systemen die samen de ‘ogen en oren’ van het schip vormen. Het patrouilleschip kan zo efficiënt piraten- en smokkelbootjes opsporen en tegelijkertijd het luchtruim in de gaten houden. 
Voor het eerst zijn camera-, radar- en communicatieantennesystemen samengevoegd in 1 mastconstructie. Hiermee ziet het schip vliegende en drijvende objecten. De communicatiemiddelen in de mast maken het mogelijk wereldwijd operaties in samenwerking met vliegtuigen en schepen uit te voeren.

Sensoren

Afbeelding binnenkant van de hightech mast.

De 11 meter hoge kegelvormige mast bestaat uit verschillende delen:

  • Smile: Het onderste gedeelte van de mast is uitgerust met de nieuwe Smile, ’s werelds eerste niet-roterende rondzoekradar voor langere afstand.
  • Seastar: Bovenop de mast, onder de satellietcommunicatie, zit de Seastar. Deze radar heeft een iets kleiner bereik dan de Smile en is ontwikkeld om tussen de golven kleinere bootjes en zwemmers te traceren.
  • Gatekeeper: Het middenstuk biedt, naast het communicatiesysteem ICCAS, plaats aan het Gatekeeper-detectiesysteem. De Gatekeeper is een beveiligings- en alarmeringssysteem dat 360 graden observeert met behulp van infrarood- en hogeresolutiecamera’s. Door het systeem weet de bemanning wat er in de directe omgeving gebeurt. Ook is het een belangrijke aanvulling op de beveiliging als een schip voor anker ligt. De hoogtechnologische verwerkingssoftware kan zelfstandig objecten detecteren en identificeren.

Commandocentrale

De commandocentrale is revolutionair voor de marine. Deze ruimte zit achter de navigatiebrug en heet daarom ‘commandobrug achter’. Ongebruikelijk zijn de ramen in deze ruimte. Ook de navigatiebrug is volgens een nieuw concept ingericht: het is een 1-mansbrug. Het schip is vanaf deze locatie door 1 persoon volledig te bedienen en te bewaken.

Milieuvriendelijk

In plaats van 4 dieselmotoren of gasturbines staan er op de patrouilleschepen nu 2 diesel- en 2 elektromotoren. Omdat het schip voornamelijk patrouilleert, zijn grotere motoren niet nodig. De elektromotoren halen een snelheid van 10 knopen, zijn goedkoop in energieverbruik en milieuvriendelijk.  
Aan boord is bovendien een bioreactor die rioolwater schoonmaakt zodat het in zee is te lozen. Voor ballastwater is een reinigingssysteem ingebouwd.

Bemanning

Door de centrale bediening en het eenvoudige onderhoud van de verschillende systemen in de geïntegreerde mastmodule is een bemanning van slechts 50 voldoende. Het baanbrekende maritieme concept dat dit mogelijk maakt, leverde de scheepsklasse in 2012 de Nederlandse titel ‘schip van het jaar’ op.

Inzet

Vanwege de veranderende wereldsituatie, met meer nadruk op dreigingen als terrorisme en piraterij, zijn tegenwoordig operaties in kustwateren belangrijk. De 2 FRISC-motorboten die de patrouilleschepen meevoeren, maken zeer snelle inzet mogelijk, ook in erg ondiep kustwater. Bijvoorbeeld om piraten en drugssmokkelaars te onderscheppen. Dat geldt met name voor de FRISC in het inwendige dok onder het helikopterdek. De ander hangt in zogenoemde davits. Het schip heeft een grote kraan om noodgoederen te laden en lossen.

Vervanging vanaf 2032

Defensie vervangt de 2 grote amfibische transportschepen (LPD’s) en 4 Oceangoing Patrol Vessels (OPV’s) voor 6 schepen van eenzelfde nieuwe klasse. Deze amfibische transportschepen zijn zowel geschikt voor inzet in oorlogsomstandigheden als voor modern amfibisch optreden. Ook kunnen de vaartuigen fungeren als bijvoorbeeld stationsschip. Het eerste nieuwe amfibische transportschip moet in 2032 instromen. Dat meldt staatssecretaris Christophe van der Maat op 6 maart 2024 aan de Tweede Kamer.

De zeemacht gebruikt de LPD’s (Zr.Ms. Rotterdam en Zr.Ms. Johan de Witt) voor amfibische operaties: het aan land brengen van eenheden van het Korps Mariniers. De OPV’s (schepen van de Holland-klasse) zijn vooral ontworpen voor taken laag in het geweldsspectrum. Zo worden ze onder meer ingezet om drugstransporten te onderscheppen in het Caribisch gebied. Hoewel die taken dus flink van elkaar verschillen, worden beide klassen binnen dit project gecombineerd. Ze groeien qua behoefte namelijk naar elkaar toe.

Zo vraagt de moderne amfibische doctrine om licht, snel en verspreid optreden, met een lichte logistieke ondersteuning. De nieuwe generatie schepen is dan ook kleiner van formaat dan de huidige LPD’s. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat er meerdere Amfibische Transportschepen tegelijk worden ingezet. De OPV’s zijn daarentegen nu niet ontworpen voor taken hoog in het geweldsspectrum. Vanwege de verslechterde internationale veiligheidssituatie heeft de marine behoefte aan schepen die wel geschikt zijn voor oorlogsomstandigheden.

Daarnaast bereiken beide scheepsklassen ongeveer tegelijk het eind van de levensduur. Door de klassen te combineren, krijgt de Koninklijke Marine meer flexibiliteit bij het aanwijzen van een of meerdere schepen voor een bepaalde missie. De keuze voor 1 scheepklasse in plaats van 2 vergroot de doelmatigheid. Ook zorgt het voor schaalvoordeel bij onder meer aanschaf, opleidingen en instandhouding.

De instroom van de nieuwe amfibische transportschepen en de uitstroom van de huidige 2 LPD’s en 4 OPV’s worden op elkaar afgestemd. Er wordt pas een schip uit de vaart genomen, zodra een nieuw schip instroomt. Vanaf 2032 moet steeds elk jaar een nieuw vaartuig operationeel inzetbaar zijn. Volgens de huidige planning geldt dat voor de laatste aanwinst in 2038. Voor de Rotterdam is dat eigenlijk net te laat. Het schip bereikt al in 2028 het eind van de levensduur. Defensie bekijkt daarom welke maatregelen nodig zijn om het schip tot minimaal 2032 in de vaart te houden. De uitstroom van de overige schepen komt ongeveer overeen met het eind van hun levensduur. Met het project is € 1 miljard tot € 2,5 miljard gemoeid.